Beleidsregels afwijking bestemmingsplannen

Het gebruik van de zogenaamde 10% vrijstelling  in bestemmingsplannen en andere afwijkingsmogelijkheden is regelmatig bij bouwplannen aan de orde. In het merendeel van de gevallen wordt zonder meer over gegaan tot het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid. Daarbij kan de rechtszekerheid die in het bestemmingsplan wordt geacht te bieden teniet worden gedaan. In dat kader is het van belang zorgvuldig met het verlenen van vrijstelling om te gaan en dit niet als een automatisme te hanteren. Het heeft geen zin een vrijstellingsbepaling in het bestemmingsplan op te nemen als die toch als regel worden toegepast. Het moet primair gaan om het oplossen van knelpunten waar het bestemmingsplan niet in voorziet en waartegen in planologisch opzicht geen bezwaar bestaat en niet om de bouwmogelijkheden bij voorbaat al te vergroten.

Het verlenen van vrijstelling is een bevoegdheid van de gemeente en geen recht van de aanvrager. Bij de overweging om vrijstelling wel of niet te verlenen moet het belang van de belanghebbende enerzijds en het belang dat met de handhaving van het betrokken voorschrift wordt gediend anderzijds worden betrokken. Met het oog op precedentwerking die het gevolg zal zijn van een besluit tot vrijstelling op het beleid, moet er sprake zijn van een bijzondere situatie die het  rechtvaardigt dat van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Een zorgvuldig afgewogen beleidsbeslissing moet de grondslag zijn voor het verlenen van vrijstelling. Onderdeel daarvan kan zijn dat de initiatiefnemer moet aantonen dat de buren kunnen instemmen met diens bouwplan.

Dit speelt met name in de “Kruidenbuurt” in Duivendrecht waar op basis van een stedenbouwkundige analyse en een bezonningsstudie is geconcludeerd dat de drielaagse woningen aldaar vanwege de schaduwinvloed uitgesloten zouden moeten worden van een extra bouwlaag. De betreffende studies maken deel uit van deze beleidsregels.
Het zal echter altijd mogelijk moeten zijn om af te wijken. Artikel 4.84 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk: “Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.”
In verband met het voorgaande hebben Burgemeester en Wethouders van Ouder-Amstel in hun vergadering van 14 april 2020 besloten de volgende beleidsregels voor het afwijken van bestemmingsplannen vast te stellen:
Aan afwijking van een (geldend) bestemmingsplan zal alleen worden meegewerkt, indien:

  1. het noodzakelijk is voor het oplossen van knelpunten waar het bestemmingsplan niet in voorziet en waartegen in planologisch opzicht geen bezwaar bestaat;
  2. de aanvraag uitvoerbaar is volgens wet- en regelgeving (waaronder burenrecht);
  3. er geen precedent ontstaat waardoor  - gedwongen – medewerking in andere gevallen leidt tot een ongewenste ruimtelijke ontwikkeling;
  4. de aanvraag geen verslechtering van de sociale veiligheid veroorzaakt;
  5. de aanvraag geen onevenredige afbreuk doet aan of geen onevenredige hinder/beperkingen (bijv. bezonning) oplevert voor aangrenzende of nabije functies en bestemmingen.
  6. bij het ophogen van panden geen sprake is van een negatieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de bezonningssituatie mede in relatie tot de  mogelijkheid voor het plaatsen van zonnepanelen. De drielaagse woningen in de Kruidenbuurt in Duivendrecht zijn vanwege de schaduwinvloed uitgesloten van een extra bouwlaag;
  7. de aanvrager met de gemeente een planschadeovereenkomst sluit.